Tijdswaarde en Verwachtingswaarde




Een stukje theorie. Belangrijk voor die belegger die de optiemarkt wil betreden.


Onder de tijdswaarde en verwachtingswaarde van een optie verstaat men het verschil tussen de optiepremie en de intrinsieke waarde (zie onder). Hieruit volgt dat, indien de intrinsieke waarde gelijk is aan nul de optiepremie louter tijdswaarde en verwachtingswaarde bevat.  In deze grootheid weerspiegelt zich de onzekerheid over het verloop van de koers van de onderliggende waarde gedurende de resterende looptijd van de optie.


Stel: het aandeel Arcelor Mittal noteert op een bepaalde datum in januari (drie maanden voor de afloopmaand april)

€ 47,80. De call april 45 noteert €  4,70.

 

koers Arcelor Mittal                 € 47,80

uitoefenprijs call april 45           - 45,-

                                            _______-

intrinsieke waarde                   €   2,80

optiepremie                            -   4,70

                                            _______-  

tijds- en verwachtingswaard       €   1,90

 

De tijdswaarde en verwachtingswaarde van een optie wordt door de volgende vijf variabelen bepaald:

       a. de verhouding tussen de uitoefenprijs en de huidige koers van het onderliggend fonds;

       b. de resterende looptijd;

       c. de volatility (= de verwachte koersfluctuaties van het onderliggende fonds);

       d. de rentevoet;

       e. het dividend (ofwel de zgn. vrijvallende cashflows) gedurende de resterende looptijd van de optie. Deze variabele geldt dus alleen voor aandelenopties.

 

ad a. Er kunnen zich drie mogelijke situaties voordoen tussen de uitoefenprijs en de actuele koers, t.w. :


'in-the-mo­ney', wanneer een optie intrinsieke waarde heeft;


'at-the-money', wanneer de actuele koers nagenoeg gelijk is aan de uitoefenprijs en


'out-of-the-money', wanneer een optie geen intrinsieke waarde heeft.


De tijdswaarde en verwachtingswaarde is dus eigenlijk de premie die betaald moet worden voor de mogelijkheid dat een optie minder of meer intrinsieke waarde krijgt. Bij het toenemen van de kans op intrinsieke waarde zal de tijdswaarde en verwachtingswaarde eveneens toenemen. 


Bij een 'at-the-money' optie kan de intrinsieke waarde alleen maar toenemen.


Bij een 'in-the-money' optie kan de intrinsieke waarde zowel toe- als afnemen.


De optiepremie bestaat dan voor een groot deel uit intrinsieke waarde en voor een kleiner deel uit de tijdswaarde en verwachtingswaarde. Naarmate de optie meer intrinsiek wordt (deep-in-the-money geraakt) zal het tijds- en verwachtingsdeel minder worden en kan zelfs op nul uitkomen.


Bij een 'out-of-the-money' optie bestaat de optiepremie alleen maar uit tijdswaarde en verwachtingswaarde. Deze opties zijn dus betrekkelijk goedkoop. Naarmate deze optie het 'at-the-mo­ney'-niveau nadert zal de  tijdswaarde en verwachtingswaarde toenemen. Op het niveau van 'at-the-money' aangekomen is de tijdswaarde en verwachtingswaarde maximaal.


ad b. Hoe langer de resterende looptijd is, hoe groter de kans dat de optie intrinsiek wordt, of dat de reeds bestaande intrinsieke waarde toeneemt. De optie is duurder naarmate de resterende looptijd langer is. Naarmate de expiratiedatum nadert zal zeker vanaf zo'n zes weken vóór deze datum de tijdswaarde en verwachtingswaarde uit de optiepremie wegsmelten.


Op de expiratiedatum zelf is er geen tijdswaarde en verwachtingswaarde meer, dus zal de optiepremie alleen nog uit de eventuele intrinsieke waarde bestaan. Is de optie op dat moment niet intrinsiek, dan is de optiepremie nul. Hij loopt dan waardeloos af. Hebt u bijv. een out-of-the-money optie gekocht en blijft de koers van de onderliggende waarde beneden de uitoefenprijs tot op de expiratiedatum, dan hebt u de gehele investering in de optie verloren.


ad c. Onder de volatility verstaat men de beweeglijkheid van de onderliggende waarde. Hoe sterker deze beweeglijkheid, hoe hoger ook de tijds- en verwachtingswaarde.


Immers door grote schommelingen in de koers van de onderliggende waarde is de kans op winst voor de koper van een optie ook groter. Ook zal de schrijver van een call optie een grotere kans hebben om te leveren.


Voor dit grotere risico wil hij een hogere premie ontvangen. Hoe beweeglijker de koers (dus hoe groter de volatility) van de onderliggende waarde, hoe hoger dus ook de optiepremie. De volatility is dus een belangrijk gegeven bij het tot stand komen van de tijdswaarde en verwachtingswaarde.


De berekening van de volatility is een moeilijk aspect. Er bestaat geen eenduidige methode. Meestal worden historische koersgegevens van de onderliggende waarde (historische volatility) of theoretische koersmodellen die uitgaan van optiepremies (implied volatility) toegepast.


De implied volatility is de beweeglijkheid van het aandeel berekend aan de hand van de actuele premie van de optie. De implied volatility wordt vaak berekend met behulp van de Black & Scholes formule. De implied volatility is dus de werkelijke volatility op dit moment.


ad d. Men kan  het kopen van een call optie vergelijken met het lenen van een bedrag  om een gedeelte van de onderliggende waarde te kopen. Over dit geleend bedrag moet rente betaald worden (te vergelijken met de call optie). Is de rentevoet hoog, dan zal men ook meer moeten betalen. Zodoende wordt de call optie dus duurder naarmate de rentevoet stijgt. Voor een put optie geldt het omgekeerde.


ad e. De aandeelhouder ontvangt dividend. De houder van een optie niet. Ten tijde van dividenduitkering zal de waarde van het onderliggende fonds ex-dividend gaan en zal de koers van het fonds dalen met ongeveer het dividendbedrag. Het is meestal bekend wanneer en hoeveel dividend wordt uitgekeerd. Van de betreffende call opties zal na dividenduitkering de intrinsieke waarde dalen en van de put optie stijgen.


Er wordt in de praktijk rekening gehouden met het dividend. De voorspelbare koersverandering van het fonds dat dividend uitkeert is als een constantalle geld verlorene waarde in de optie premie verwerkt. De call optie premie wordt kleiner naarmate het dividend op het aandeel groter wordt. Omgekeerd worden put opties relatief duurder.

 

Note:  Intrinsieke waarde

 

Een call-optie heeft een intrinsieke waarde indien de actuele koers van de onderliggende waarde hoger is dan de uitoefenprijs.

 

De intrinsieke waarde van een call-optie is het verschil tussen de actuele koers van de onderliggende waarde en de lagere uitoefenprijs.

 

In het geval van een call optie kan de koper van de call gebruik maken van zijn recht de onderliggende waarde, bijv. aandelen, goedkoper te verkrijgen dan ze momen­teel op de beurs noteren.

 

Een put-optie heeft een intrinsieke waarde als de actuele koers van de onderliggende waarde lager is dan de uitoefenprijs.

 

De intrinsieke waarde van een put-optie is het verschil tussen de actuele koers van de onderliggende waarde en de hogere uitoefenprijs

 

De intrinsieke waarde van een optie is altijd gelijk aan of groter dan nul. Zij kan dus nooit negatief zijn.





Terug naar Beurstips

Actueel Beursnieuws en Financieel Nieuws